Wie weet te vragen, verdwaalt niet

In deze rubriek verzamelt de Munyaku allerlei vragen van lezers over de Lubacultuur en gewoontes. Vaak is het zo dat je, alleen al de om vraag te verstaan, moet ingeleid zijn in deze cultuur. Daarom drukken we in deze Nederlandse vertaling slechts enkele vragen af. Als iemand uit nieuwsgierigheid (wetenschappelijke of andere) zich graag over zulke vragen buigt, moet hij ons maar aanschrijven; en we zullen hem, voor zover mogelijk, vragen en antwoorden in Nederlandse vertaling toesturen.

Deze keer vermelden we uit heel de serie vragen slechts een:

 

Over de oorsprong van het Munyaku-lied.

Onze vriend Kashimba Florent vraagt
vanuit Ngandanjika:

Toen ze vroeger zongen: “Munyaku wa nsona, Bena Manda dragen bij, de Bakwa Mulumba dragen bij, de Bena Nsana dragen bij … enz. …”. Wat bedoelden ze toen met “Munyaku”? En wat was het dat ze allemaal bijdroegen?

 

 

 

Offeren

Heel vaak gaan de vragen in deze rubriek  over gewoontes en praktijken in en rond huwelijk en familie. Vandaag gaan een hele boel vragen over de 'milambu'  (de offers: bepaalde geplogenheden rond het huwelijk en andere familieoffers). In plaats van de vragen zelf schrijven we hier liever een woordje over de culturele achtergrond van de milambu.

De culturele achtergrond van familieoffers

Over de culturele achtergrond van de familieoffers, kunnen we dit zeggen. Je grootste schat, je leven, heb je niet van jezelf; je hebt het gekregen. Gekregen van je ouders en via je ouders van je grootouders. Uiteindelijk komt je leven van god. Deze lijn met je ouders, grootouders en God moet je in ere houden, anders mis je de grond van je bestaan. De Baluba drukken dit uit door een (ingewikkeld) systeem van ‘familieoffers‘ (’milambu‘ genaamd; enkelvoud ‘mulambu). De twee belangrijkste wijzen van familieoffers zijn:

1°. de ‘mulambu wa mushika’ (de mulambu voor een jong meisje dat uitgehuwelijkt wordt). De familie van de trouwkandidaat offert deze mulambu aan de vader van het meisje (of zijn familie).

2°. De ‘mulambu wa bukole’. Als een kind groot geworden is en zelf gaat werken, behoort hij uit de opbrengst (vaak de eerstelingen) te offeren aan zijn vader (en familie).

We zeggen telkens: vader en familie. De vader mag immers de schat (‘lupetu’) die hij ontvangen heeft niet voor zichzelf houden. Nee hij moet die doorgeven (= 'offeren') aan zijn vader, zijn grootvader, oudere broer van vader. Er is daarvoor een volgorde totdat hijzelf ook aan de beurt komt.

Maar degene voor wie de mulambu bestemd is, mag die lupetu toch niet voort zichzelf houden, om ervan te genieten. Hij behoort daarmee een taak te volbrengen binnen de familie, waarvoor een ‘mulambu’ nodig is, bijvoorbeeld (meestal): om te offeren, ten bate van een trouwlustige jongen in de familie, aan de familie (vader) van het meisje, waarmee die jongen trouwt.

Deze gewoontes moesten de stabiliteit van de huwelijke garanderen. Maar wat nog belangrijker is: ze moesten de stabiliteit van de familie bevestigen. Dat gebeurt door plechtig te verklaren: “Ik ben geboren uit ouders, grootouders, uit God”. Zo gezien, is het een eer te mogen offeren.

Maar heden ten dage zijn er velen die de zin voor traditie verloren hebben. Dezen ervaren dat systeem van familieoffers als een last als een slavernij. En ze proberen er onderuit te komen met allerlei smoesjes en (drog)redeneringen.

De vragen die in deze rubriek gesteld worden komen deels voort uit echte bekommernis, om de culturele traditie te eerbiedigen, maar deels ook uit het verlangen om er met drogredenen onderuit te komen. Dit laatste mag ons dan als een gebrek aan eerbied voor de traditie voorkomen. Het laat wel een evolutie zien in cultureel aanvoelen. Hopelijk worden er wegen gevonden om vanuit de traditie vandaag op een authentieke manier de moderniteit te beleven.