<
Thuis is thuis (ook als daar honger is) >De jongeling en de krokodil
Een sprookje verteld door
tatu Clément Cibuabua Muluila,
woonachtig in Ciaba.
E
r was eens een dorpschef, die de rivier liet droogleggen om zijn dochter te zoeken die al een hele dag verdwenen was.Omwille van het gebrek aan water gingen de krokodillen een andere rivier opzoeken. Maar een van die krokodillen was zo moe en had zo’n honger, dat hij zijn reis niet kon voltooien. Hij verschool zich in het gras op de oever en bleef daar twee dagen.
Toen kwam daar een jongen voorbij en zag ‘wa Kabola’ daar uitgeput liggen, borst op het gras.*/
De krokodil zag de jongen en zei: “Ah, beste kerel, ik ben blij je te zien. Nu ben ik gered. Als je wilt draag me dan naar het water. Want ik ben op het einde van mijn krachten. Het is vandaag al de derde dag, nadat jullie chef de rivier heeft drooggelegd, om zijn kind te zoeken.” De krokodil bleef er maar op aandringen bij de jongen: “Red me toch; ik van mijn kant zal jou ook sparen.”
Daarop ging de jongen een mat zoeken, om de krokodil erin te kunnen verdragen. Toen ze aan de rivier kwamen zei de kroko: “Nou moet je me nog tot in het diepe dragen, want dat kan ik alleen niet.” De jongen ging het water in tot het aan zijn heupen kwam, maar de kroko drong aan: “Jongen, ik kan niet lopen, ik ben zo vermoeid, en hier kan ik nog niet zwemmen; breng me toch naar het diepe.” Daar in het midden kwam het water de jongen al tot aan de hals. Hij liet de kroko los, maar deze greep de knaap bij de arm: “Jou laat ik niet meer gaan; want ik vind niks anders te eten. Jou opeten is goed voor mij; dan krijg ik weer krachten, want ik wil nog niet dood.”
De jongen daarop: “Dat is sterk! Meneer, je weet wat ik allemaal voor je gedaan heb; en nou wil je me opeten?”
- “Onnozelaar; wil je dat ik dood ga?”
De jongen zei daarop: “Luister, laten we nog wat wachten en aan de mensen vragen, wat zij daarop te zeggen hebben. Daarna kun je me opeten.” Meneer Ngandu stemde ermee in, maar stelde deze beperking: “We vragen niet aan meer dan vier personen.”
De eerste die daar voorbij kwam was een oude koe:” “Moedertje, vroeg de krokodil, geef hier eens antwoord op: Iemand die goed doet, verdient die een goede beloning of een slechte?”
Moedertje koe begon met een slokje water te nemen; dan richtte ze zich op en zei: “Ik hier, toen ik jong was en kinderen begon te krijgen, bracht ik er elke keer twee of drie ter wereld. Zien jullie die stallen daar verderop, die zijn van mijn meester, twaalf in getal; die staan vol met mijn kinderen en kleinkinderen.
Toen ik nog kinderen kreeg, verzorgden ze me prima. Ze brachten mij naar goede plaatsen om te eten. Als ik gegeten had gingen ze met mij naar het water, om te drinken, en ze wasten me daar. Als ik ziek was, werd ik verzorgd. Ze molken me en gaven me te drinken.
Maar nu ik oud ben en geen kinderen meer krijg, is er niemand meer die met mij rekening houdt. Ze laten me gewoon lopen, zonder zich om mij te bekommeren. Is dat de goede beloning?” Ze sloeg een keer met de staart en ging weg.
De ngandu vroeg aan de jongen: “Dat heb je wel gehoord, zeker?” Laten we maar op de volgende wachten.
Na een tijdje kwam er een oude vrouw aan met een kalebas op het hoofd. De kroko stelde haar dezelfde vraag. Het oude vrouwtje zei daarop: “Kijk mij aan, hoe oud ik ben. Moet ik dan nog zelf water halen? Ik heb zes zonen ter wereld gebracht en zeven dochters. Toen hun vader stierf, stond ik er alleen voor. Ik moest naar hier, ik moest naar daar, om eten te zoeken voor de kinderen, en kleren om te dragen en zeep om zich te wassen.
Vandaag zijn ze allemaal groot; er is er niet een die naar me omkijkt. Ik slaap waar ik voorbijkom, zelfs in de regen. Is dat de beloning voor al het goede dat ik deed?”
De derde die daarna voorbijkwam was een oud mannetje. Ze stelden hem dezelfde vraag. En hij zei: “Ik, ze zongen voor mij in het dorp, omdat ik rijk was. Ik had altijd in overvloed te eten. Vrouwen en kinderen voelden zich er thuis ‘als in Katombe’.**/ Ik leende aan anderen; zelf moest ik nooit iets lenen. Maar vandaag, nu ik op sterven na dood ben, nu heb ik geen woonst meer; degenen aan wie ik vroeger wel deed, vandaag beledigen ze mij; sommigen komen me thuis afslaan. Noem je dat beloning voor al het goede dat ik deed? Ik zeg je dit: ‘als iemand in het water valt, moet je hem er niet overheen dragen’; dat is alles”
De krokodil vroeg aan de jongen: “Dat heb je ook wel gehoord hé? Deze zei daarop: “Jawel, maar laten we op de vierde wachten.”
Toen kwam Ilunga ‘God in mensengedaante’ daar aan. Ook hem vroegen ze zijn mening.
Hij antwoordde en zei: “Waarom noemen jullie het licht duisternis? Waarom liegen jullie tegen me? Welnu, opdat ik zou kunnen antwoorden, moet elk van jullie me eerst vertellen, hoe deze situatie ontstaan is. Toen hij het allemaal gehoord had vroeg Ilunga God in mensengedaante aan de knaap. “Ben jij echt sterk genoeg om een krokodil te dragen?”
“Ja, dat kan ik”, zei de jongen .
Ilunga zei daarop: “Nou, draag hem dan nog eens. Laat me de plaats eens zien, vanwaar je met hem gekomen bent. Daarna zal ik de zaak beslechten”.
Zo gezegd, zo gedaan. En toen ze op die plaats aankwamen, zei Ilunga tegen de jongen: “Ik zie jullie ouderen vaak eten wat jij daar draagt. Nou, draag het maar verder en laat het aan hen zien. Ze zullen je dankbaar zijn.
*/ Wa Kabola is een bijnaam, in dit geval voor de krokodil, en die betekent zoiets als 'Rotzak'.
**/ Katombe was oorspronkelijk de woonplaats van de grote chef van het volk Kalambayi. Hier is het figuurlijk gebruikt:
"Ze woonden er goed onder de hoede van een sterke man.